Één, een, één, etc.

Ik heb één broek. Op de broek zit een plak hard geworden secondelijm van de keer dat ik de zool van mijn enige paar schoenen zelf lijmde. Ik heb één grijs t-shirt dat ooit zwart was. Onder de oksels zitten harde witte plekken. Ik heb een onderbroek met een gat ter hoogte van mijn perineum.
De ventilator die de stank naar buiten moet blazen zodat mijn huis niet al te erg stinkt maakt knarsende geluiden. Het is het enige geluid in huis.
Ik heb twee sokken, gele sokken, maar ben één van de sokken kwijt.
Tegen mijn muur staan stapels onverkochte boeken. Ze werden toch redelijk besproken.
Mensen die me vroegen een weekje op hun huisdieren te passen kwamen ze nooit ophalen. Meerdere katten, hoeveel weet ik niet precies – ik ben geen dierenhater, maar vind alle katten er ongeveer hetzelfde uitzien – een hond, een handvol cavia’s en vooral veel planten. Of zijn planten geen huisdieren?
Had ik maar beter opgelet tijdens biologieles. Ik weet natuurlijk wel dat flora en fauna meestal in één adem worden genoemd, maar dat er na het ademhalen een grote mits volgt.
De handvol cavia’s rent voorbij. Ze ontwijken vaardig flessen op de grond.
Is dit mijn woning? De gordijnen zijn dicht. Het zou zomaar middag kunnen zijn.
Ik ga met mijn ene gele sok voor de spiegel staan. Ik stop mijn lul in de sok en plas. Plas loopt door de sok, in de sok zitten geen gaten. Ik klem de sok tussen mijn bovenlip en neus.
Zo zou ik er dus uit zien als ik een snor had.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *